Dit pleidooi is een grondig herschreven versie van het artikel 'Een nieuwe generatie vindt aansluiting bij de dagelijkse werkelijkheid' dat Opium voor het Volk februari 2007 publiceerde in 'Waterstof', de electronische nieuwsbrief van de sociaal-liberale denktank de Waterlandstichting. Onderstaande versie van het artikel is ook beschikbaar in pdf-formaat: klik hier om het te downloaden.

Pleidooi

Binnenkort voert Toneelgroep Amsterdam Angels in America van Tony Kushner uit. Dit meesterwerk is een grondige reactie van een Amerikaan op de jaren tachtig, waarin Aids, het wildgroeiende kapitalisme en partijpolitiek het einde van de gouden eeuw van de Verenigde Staten aankondigden. Het stuk verscheen in twee delen: het eerste deel Millenium Approaches, in 1990, het tweede Perestroika in 1991; Kushner had zijn vinger aan de pols.

Het is nu 2007. In Nederland is er nog steeds geen adequate reactie gekomen van het Nederlandse toneel op de roering van het electoraat in het jaar 2002. Er is vijf jaar voorbijgegaan sinds die volkswoede de kop opstak. Kunnen we werkelijk zeggen de weerslag daarvan op het toneel gezien te hebben? Hopen we als toneelsector stiekem dat het de buitenwacht niet is opgevallen dat we daar geen enkele reactie van enige portée op hebben kunnen geven?

Volgens ons heeft de theatersector het zich geleidelijk steeds moeilijker gemaakt om de werkelijkheid van het publiek op een adequate manier tot onderwerp te maken en loopt de sector daardoor publiek en aanzien mis.

Enerzijds zien we een in zichzelf gekeerd repertoiretoneel, dat er geen zin in lijkt te hebben een nieuw discours uit te proberen en in plaats daarvan liever ideeën en symbolen uit de jaren zeventig hergebruikt. Gechargeerd: in een toneelvoorstelling ging de slechterik jaar in jaar uit gekleed in een grijs pak. De kleine burgerman was goed als voetveeg. Politici waren machtswellustelingen en journalisten gluiperds. Technologie was des Duivels en geluk alleen te bereiken als je onafhankelijk van anderen je eigen weg ging. Vrouwelijke personages werden zonder omwegen in het 'maagd/moeder/hoer'-sjabloon geperst en hoe gezellig het ook werd op het podium, alle personages gingen altijd gebukt onder existentiële eenzaamheid, vanwege de 'fundamentele onmogelijkheid van daadwerkelijke communicatie'. We hebben grote regisseurs regelmatig horen klagen dat het publiek weg zou blijven omdat toneel te moeilijk en te experimenteel zou zijn. Het omgekeerde is zeker óók het geval geweest: het toneel was vaak gemakkelijk en overbekend. Het is niet verwonderlijk dat het met deze aftandse sjablonen moeilijk was een verband te leggen met de daadwerkelijke toestand van de mensen in de zaal; laat staan er iets verstandigs over te zeggen.

Gelukkig halen toneelmakers de laatste jaren wat minder vaak de mosterd bij dit clichématige gedachtegoed en gelukkig bedanken de jongere makers ook massaal voor deze erfenis. Het vervelende is alleen dat decennia lang de sjablonen en ideeën zijn geweest waarmee de toneelsector maatschappijkritiek trachtte te leveren en waarmee ze zich eigenlijk een beetje belachelijk heeft gemaakt. Het ongedaan maken van deze reputatie is een van de moeilijkste klussen die de jonge makers ter hand moeten nemen.

Waar het bovenstaande punt zich vooral afspeelt in het ietwat bedaagdere repertoiretoneel, is de andere lastige erfenis gelaten aan het avant-garde theater.

Toen bleek dat film en televisie veel beter bleken in realistisch drama, koos het avant-garde theater ervoor zich te concentreren op hèt specifieke kenmerk van theater: het in één ruimte verkeren van acteurs en toeschouwers. Om deze situatie zoveel mogelijk uit te buiten, organiseerden ze ervaringen die het publiek en de acteurs samen konden ondergaan. Hiertoe zochten ze vaak extremen op. Heel veel licht, of juist veel donker, veel gebeurtenissen, of juist één enkele beweging, de suggestie van extreem geweld of daadwerkelijke fysieke uitputting van de acteurs op het toneel.

De geboden ervaringen waren inderdaad vaak bijzonder en de moeite waard, met name omdat ze dikwijls getuigden van bijzondere, onafhankelijke geesten. Het was interessant, zonder meer het interessantste theater dat er zien was, maar het draaide uiteindelijk om een esthetische uitdrukking, niet een inhoudelijke. De vragen waarvan en waarom raakten op de achtergrond omdat er een automatisch samengaan verondersteld werd tussen een uitzonderlijke ervaring en een bijzondere inhoud. Dit verband kan er zeker zijn, maar het is er niet automatisch en het hoeft er ook niet altijd te zijn.

Het probleem is alleen dat er naast dit avant-garde theater lang geen avant-garde theater is geweest waarin een bijzondere inhoud centraal stond. De plaats die in onze theatertraditie bij uitstek ingeruimd is voor het ontwikkelen van een adequaat theatraal 'vocabulaire' om de jongste werkelijkheid mee te vertalen, houdt zich met die werkelijkheid niet betekenisvol bezig.

Dit zijn de twee belangrijkste factoren die in de afgelopen vijfentwintig jaar het gesubsidieerde toneel hebben beïnvloed. Aan het einde van de jaren negentig bleef hiervan in Nederland een aardige mengvorm over. De afgelopen tien jaar werd een oude dramatekst op originele, eigentijdse wijze uitgevoerd. Maar enkel het actualiseren van een oud stuk is niet voldoende.

Het is misschien pathetisch om te zeggen, maar de volkswoede na de moorden op Fortuyn en Van Gogh, maakt dat we nu echt van deze erfenissen af moeten.

Allereerst deed die woede bij ons (net als bij onze generatiegenoten) het besef doordringen dat wij zowel in persoonlijk als professioneel opzicht, medeverantwoordelijk zijn voor de cohesie van de samenleving en ook dat we daar een levensgroot belang bij hebben. Als kinderen van het individualisme die zich altijd gericht hadden op zelfontplooiing smakten we, haast als vliegen tegen een voorruit, met onze individualiteit op het belang van het collectief. Maar ook zagen we door deze klap ineens hoe lang theatermakers de eigen dagelijkse, gedeelde werkelijkheid als inhoudelijke bron voor het theater hadden laten liggen en daarmee ook de voor de hand liggende culturele taak van het doordenken over die werkelijkheid en het bijhouden van de kroniek.

De verdediging van de oudere theatermakers die wij dit verwijt maken, was tot en met het einde van de jaren negentig nog steevast dat hun voorstellingen wel degelijk reacties waren, maar indirect en in metaforische zin en door middel van het repertoire. Wij denken dat je voor een stevige inhoud beter niet om de hete brij heen kunt draaien en recht op je doel afgaan. Er is daar meer dan genoeg "bruikbaar materiaal" voorhanden om iets heel moois en zinnigs van te maken. Denk bijvoorbeeld nogmaals aan Tony Kushners' Angels in America.

Kortom, een theatermaker moet volgens ons een daadwerkelijke interesse hebben in de wereld buiten theaterland, die niet ophoudt bij de ambachtelijke beoordeling of bijvoorbeeld van een verhaal een toneelstuk valt te maken. Hij moet zichzelf verantwoordelijk stellen om een voorstelling te maken, die mensen iets over hun leven vertelt waar ze zelf niet één-twee-drie op waren gekomen. Wij denken door meer belang te hechten aan, en energie te steken in de ontwikkeling van de inhoud van voorstellingen, de sector weer een deur open kan zetten voor een natuurlijk deel van haar publiek, een grote groep Nederlanders die meer dan gemiddeld geïnteresseerd is in cultuur en politiek.

En het kán: verschillende jonge theatermakers van onze generatie hebben deze handschoen opgenomen en maken voorstellingen met een open blik naar buiten. Zoals Marijke Schermer van toneelgroep Alaska en Eric de Vroedt met zijn serie 'Mighty Society'. Zij schrijven allebei stukken op basis van research over uitgekiend gekozen onderwerpen. Schermer onderzoekt met haar eerstvolgende productie Sic Transit Gloria Mundi, letterlijk in hoeverre een theatergroep en een commercieel bedrijf kunnen overlappen. Zo heeft Alaska nu ook aandeelhouders. De Vroedt maakt met Mighty Scoiety voorstellingen over maatschappelijke thema's als spindocters, islamistische terreurdreiging, en globalisering.

De theatergroep Wunderbaum is ook een goed voorbeeld. De belangrijkste instrumenten van dit vijfkoppige acteurscollectief voor het maken van hun voorstellingen, zijn de afgelopen jaren vrije improvisaties geweest die volgden op een open onderling gesprek. De acteurs van Wunderbaum staan midden in het goede leven van hun eigen generatie. Hiervan zijn ze zich zeer bewust en in het repetitielokaal onderzoeken ze nauwkeurig, bijna sociologisch, wat zij elkaar als zodanig eigenlijk te melden hebben en hoe ze daarop reageren. Door hun buitengewone intuïtie voor combinaties van materiaal dat op het eerste gezicht geen onderling verband heeft, worden hun voorstellingen zo goed als geniaal.

Met onze groep Opium voor het Volk, werken we vanuit het idee dat er veel huiswerk gemaakt moet worden voordat een publiek naar binnen wordt gehaald. Dit betekent dat er een oorspronkelijke gedachte moet zijn, de voorstelling een nieuw gezichtspunt moet innemen, en een boodschap moet verkondigen die op basis van goede argumenten te verdedigen valt. Met een kern van twee academisch geschoolde schrijvers, ligt bij ons een zware nadruk op de research en de speeltekst.

We streven ernaar een doordacht voorstellingsconcept te ontwikkelen, dat in het repetitielokaal een rijke inspiratiebron wordt voor de getalenteerde podiumkunstenaars met wie we samenwerken. Ons sterk groeiende publiek reageert dankbaar op een toegankelijke en solide speeltekst, die expliciet de eigen dagelijkse werkelijkheid tot onderwerp heeft.

Gezien de reacties op de voorstellingen van onze generatiegenoten en de eerste producties van Opium voor het Volk, lijkt het erop of er weer een weg naar buiten gevonden is. En het werd tijd. Het gesubsidieerde theater kan niet langer volstaan met het aanbieden van bijzondere ervaringen, al dan niet in de rug gedekt door een quasi kritische houding. De sector kan het zich niet langer veroorloven vanaf de achterste rij propjes naar de leraar te gooien, maar moet naar voren durven treden om spreekbeurten te houden waar iedereen wat van opsteekt.

9 september 2007